|   All Languages   
EN   SV   IS   RU   RO   FR   IT   SK   NL   PT   LA   FI   ES   HU   NO   BG   HR   CS   DA   TR   PL   EO   SR   SQ   EL   UK   BS   |   FR   SK   IS   ES   NL   RO   HU   PL   SV   NO   RU   FI   SQ   IT   DA   CS   PT   HR   BG   LA   EO   SR   BS   TR   EL

Duits-Nederlands woordenboek

Dutch-German translation for: [één]
  äöüß...
  Options | Tips | FAQ | Abbreviations

LoginSign Up
Home|New Website|About|Vocab Trainer|Subjects|Users|Forum|Contribute!

in other languages:

Deutsch - Niederländisch
English - Dutch
English - all languages
We are trying to build up a Ukrainian-German dictionary!
Please contribute translations or audio recordings if you can!

Dictionary Dutch German: [één]

Translation 1 - 50 of 136  >>

Dutch German
enkel {adj} {adv} [niet meer dan één]
46
einzig
daarboven {adv} [boven een grens]
39
darüber
wat {adv} [een beetje]
22
etwas [ein bisschen]
enigszins {adv} [een beetje]
16
etwas [ein wenig]
anders {adv} [op een andere manier; verschillend]
7
anders
aangeschoten {adj} {adv} [een beetje dronken]
3
angetrunken
aangeschoten {adj} {adv} [een beetje dronken]
2
beschwipst [ugs.]
klein {adv} [bijv. een klein jaar]
2
knapp [z. B. knapp ein Jahr]
aangeschoten {adj} {adv} [een beetje dronken]angeheitert
bedrukt {adj} {past-p} [met een opdruk]bedruckt
enigszins {adv} [een beetje]ein bisschen
enigszins {adv} [een beetje]ein wenig
eventjes [een korte tijd]ein Weilchen
katterig {adj} {adv} [een kater hebbend]verkatert [ugs.]
kinderachtig {adj} {adv} [als van een kind]kindlich
Verbs
afspreken {verb} [een afspraak maken]
70
verabreden
voorstellen {verb} [een voorstel doen]
66
vorschlagen
rijden {verb} [op een dier]
25
reiten
opl. zakken {verb} [niet slagen voor een examen]
21
durchfallen [nicht bestehen]
bellen {verb} [met een bel een sein geven]
19
klingeln
schakelen {verb} [naar een andere versnelling gaan]
19
schalten
overkomen {verb} [een bepaalde indruk maken]
9
wirken [einen bestimmten Eindruck machen]
kriebelen {verb} [een gevoel van jeuk geven]
8
kitzeln
iets besluiten {verb} [een einde aan iets maken]
7
etw. abschließen [beenden]
klaarkomen {verb} [een orgasme krijgen]
7
kommen [ugs.] [einen Orgasmus haben]
iets opstellen {verb} [bijv. een brief]
6
etw. aufsetzen [Schriftstück]
iets benoemen {verb} [een naam geven]
5
etw. benennen [bezeichnen]
bestuur. econ. gunnen {verb} [een opdracht toewijzen]
4
vergeben [Arbeit, Auftrag]
knopen {verb} [een knoop leggen]
4
knoten
iem. vervoeren {verb} [in een roes brengen]
3
jdn. berauschen
iets opvolgen {verb} [BN] [controle op de voortgang van een proces of van werkzaamheden]
3
etw. nachverfolgen
iets smeren {verb} [een broodje]
3
etw. bestreichen [z. B. Brot]
overschakelen {verb} [een andere verbinding opzetten]
3
umschalten
duwen {verb} [een wagen]
2
anschieben [einen Wagen]
iets besluiten {verb} [een einde aan iets maken]
2
etw. beenden
overkomen {verb} [fig.] [begrepen worden; een bepaalde indruk maken]
2
rüberkommen [ugs.] [verstanden werden; einen bestimmten Eindruck machen]
telecom. [met enige moeite een telefoonverbinding naar iem. tot stand brengen] {verb}sich zu jdm. durchtelefonieren [ugs.]
aanstaan {verb} [op een kier staan]angelehnt sein
afgaan {verb} [een gek figuur slaan]sich blamieren
bellen {verb} [met een bel een sein geven]schellen [regional]
iem. bekronen {verb} [fig.] [een prijs toekennen]jdn. mit einem Preis auszeichnen
iem. helpen {verb} [in een winkel]jdn. bedienen
iem. uitzetten {verb} [uit een land verbannen]jdn. des Landes verweisen
iets scherpen {verb} [bijv. een potlood]etw.Akk. anspitzen [z. B. einen Bleistift]
klaarkomen {verb} [een orgasme krijgen]einen Orgasmus haben
kriebelen {verb} [een gevoel van jeuk geven]kribbeln
ontzetten {verb} [een ambt ontnemen]entheben [geh.]
openstaan {verb} [niet dicht zijn, van een rekening]offen stehen
opstapelen {verb} [een stapel maken]aufschichten
opstapelen {verb} [een stapel maken]aufstapeln
» See 511 more translations for één outside of comments
Previous page   | 1 | 2 | 3 |   Next page
Feel free to link to this translation! Permanent link: https://denl.dict.cc/?s=%5B%C3%A9%C3%A9n%5D
Hint: Double-click next to phrase to retranslate — To translate another word just start typing!
Search time: 0.017 sec

 

Contribute to the Dictionary: Add a Translation

Do you know German-Dutch translations not listed in this dictionary? Please tell us by entering them here!
Before you submit, please have a look at the guidelines. If you can provide multiple translations, please post one by one. Make sure to provide useful source information. Important: Please also help by verifying other suggestions!

To avoid spam or junk postings you will be asked to log in
or specify your e-mail address after you submit this form.
more...
German more...
Word Class more...
Subject
Comment
(Source, URL)
New Window

back to top | home© 2002 - 2024 Paul Hemetsberger | contact / privacy
Dutch-German online dictionary (Duits-Nederlands woordenboek) developed to help you share your knowledge with others. More information
Links to this dictionary or to single translations are very welcome! Questions and Answers
Advertisement