All Languages    |   EN   SV   IS   RU   RO   FR   IT   SK   NL   PT   HU   FI   ES   LA   BG   HR   NO   CS   DA   TR   PL   EO   SR   EL   SQ   BS   |   FR   SK   IS   ES   HU   NL   PL   RU   NO   SV   SQ   FI   IT   DA   CS   PT   HR   RO   BG   EO   BS   LA   TR   SR   EL   |   more ...

Duits-Nederlands woordenboek

Dutch-German translation for: [de]
  äöüß...
  Options | Tips | FAQ | Abbreviations

LoginSign Up
Home|About/Extras|Vocab Trainer|Subjects|Users|Forum|Contribute!

in other languages:

Deutsch - Dänisch
Deutsch - Englisch
Deutsch - Esperanto
Deutsch - Finnisch
Deutsch - Französisch
Deutsch - Italienisch
Deutsch - Kroatisch
Deutsch - Latein
Deutsch - Niederländisch
Deutsch - Norwegisch
Deutsch - Portugiesisch
Deutsch - Rumänisch
Deutsch - Russisch
Deutsch - Schwedisch
Deutsch - Slowakisch
Deutsch - Spanisch
Deutsch - Türkisch
Deutsch - Ungarisch
English - Danish
English - Dutch
English - Esperanto
English - French
English - Icelandic
English - Latin
English - Norwegian
English - Portuguese
English - Romanian
English - Slovak
English - Spanish
English - Swedish
English - Turkish

Dictionary Dutch German: [de]

Translation 1 - 50 of 30889  >>

Dutch German
eruit {adv} [naar de spreker toe]
21
heraus
buiten {adv} [aan de buitenkant]
12
außen
inhoudelijk {adj} {adv} [de inhoud betreffend]
11
inhaltlich
gepast {adj} {adv} [geschikt; in de juiste hoeveelheid]
6
passend
eruit {adv} [van de spreker vandaan]
2
hinaus
gepast {adj} [in de juiste hoeveelheid]
2
abgezählt
tijdig {adj} {adv} [binnen de gestelde tijd]fristgemäß
uitgeslapen {adj} {adv} {past-p} [letterlijk, maar ook in de zin van gehaaid]ausgeschlafen [auch ugs. für gewitzt]
Verbs
handhaven {verb} [de wet]
19
handhaben
kruipen {verb} [vlak langs de grond]
17
kriechen
iem. pesten {verb} [omg.] [op het werk, de school]
16
jdn. mobben [ugs.]
terechtkomen {verb} [op de juiste plaats komen]
13
ankommen
iem. passeren {verb} [met de auto, etc.]
9
jdn. überholen [mit dem Auto etc.]
iem./iets herdenken {verb} [de herinnering vieren]
9
jds./etw. gedenken [geh.]
terechtkomen {verb} [op de juiste plaats komen]
9
landen [ugs.] [nach einer Reise an seinem Ziel ankommen]
iem. plagen {verb} [voor de gek houden]
7
jdn. necken
knipperen {verb} [met de ogen]
5
blinzeln
verwarren {verb} [in de war maken]
5
verwirren
terugbrengen {verb} [naar de eigenaar brengen]
4
zurückbringen
huishouden {verb} [de huishouding doen]
3
haushalten [Haushalt führen]
iem./iets aanrijden {verb} [bijv. met de auto]
2
jdn./etw. anfahren [z. B. mit dem Auto]
iem./iets vertegenwoordigen {verb} [in de plaats treden van, handelen in naam van]
2
jdn./etw. vertreten [Interessen, Land etc.] [auch als Stellvertreter]
iets opvolgen {verb} [BN] [controle op de voortgang van een proces of van werkzaamheden]
2
etw. nachverfolgen
pikken {verb} [met de snavel steken, oppikken]
2
picken [mit dem Schnabel Nahrung aufnehmen, aufpicken ]
aanschuiven {verb} [in de rij gaan staan] [BN]Schlange stehen
beproeven {verb} [op de proef stellen]erproben
beproeven {verb} [op de proef stellen]kontrollieren [prüfen]
beproeven {verb} [op de proef stellen]prüfen
gronden {verb} [in de grondverf zetten]grundieren
huishouden {verb} [de huishouding doen]den Haushalt führen
iem. informeren {verb} [op de hoogte brengen]jdn. verständigen
iem. uitschakelen {verb} [aan de dijk zetten]jdn. kaltstellen [ugs.] [fig.]
iets aangeven {verb} [bij de authoriteiten melden]etw. melden [angeben, anzeigen]
iets binnenkrijgen {verb} [in de maag krijgen]etw. schlucken
iets binnenkrijgen {verb} [in de maag krijgen]etw. zu sich nehmen
iets opheffen {verb} [uit de weg ruimen]etw. beheben
iets overtrekken {verb} [de lijnen van iets natekenen op doorschijnend papier]etw.Akk. durchpausen
iets posten {verb} [op de post doen]etw. zur Post bringen
handel iets prijzen {verb} [de prijs vermelden]etw. auszeichnen [Preis]
iets waarderen {verb} [de waarde bepalen]etw. bewerten
manoeuvre {de} {het} {verb}Manöver {n}
meteo. opkomen {verb} [boven de horizon komen]aufgehen [Sonne, Mond etc]
posten {verb} [op de uitkijk staan]Posten stehen
muziek roffelen {verb} [op de trom]wirbeln [Trommel]
uitwijken {verb} [uit de weg gaan]ausweichen
Nouns
mens {de}
162
Mensch {m}
kled. broek {de}
150
Hose {f}
deur {de}
142
Tür {f}
onom. voornaam {de}
140
Vorname {m}
muziek taal. zin {de}
139
Satz {m}
» See 858 more translations for de outside of comments
Previous page   | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 |   Next page
Feel free to link to this translation! Permanent link: https://denl.dict.cc/?s=%5Bde%5D
Hint: Double-click next to phrase to retranslate — To translate another word just start typing!
Search time: 1.119 sec

 

Contribute to the Dictionary: Add a Translation

Do you know German-Dutch translations not listed in this dictionary? Please tell us by entering them here!
Before you submit, please have a look at the guidelines. If you can provide multiple translations, please post one by one. Make sure to provide useful source information. Important: Please also help by verifying other suggestions!

To avoid spam or junk postings you will be asked to log in
or specify your e-mail address after you submit this form.
more...
German more...
Word Class more...
Subject
Comment
(Source, URL)
New Window

back to top | home© 2002 - 2022 Paul Hemetsberger | contact / privacy
Dutch-German online dictionary (Duits-Nederlands woordenboek) developed to help you share your knowledge with others. More information
Links to this dictionary or to single translations are very welcome! Questions and Answers
Advertisement