|   All Languages   
EN   SV   IS   RU   RO   FR   IT   SK   NL   PT   LA   FI   ES   HU   NO   BG   HR   CS   DA   TR   PL   EO   SR   SQ   UK   EL   BS   |   FR   SK   IS   ES   NL   RO   HU   PL   SV   NO   RU   FI   SQ   IT   DA   CS   PT   HR   BG   LA   EO   SR   BS   TR   EL

Duits-Nederlands woordenboek

Dutch-German translation for: [de]
  äöüß...
  Options | Tips | FAQ | Abbreviations

LoginSign Up
Home|New Website|About|Vocab Trainer|Subjects|Users|Forum|Contribute!

in other languages:

Deutsch - Dänisch
Deutsch - Englisch
Deutsch - Esperanto
Deutsch - Finnisch
Deutsch - Französisch
Deutsch - Italienisch
Deutsch - Kroatisch
Deutsch - Latein
Deutsch - Niederländisch
Deutsch - Norwegisch
Deutsch - Portugiesisch
Deutsch - Rumänisch
Deutsch - Russisch
Deutsch - Schwedisch
Deutsch - Slowakisch
Deutsch - Spanisch
Deutsch - Türkisch
Deutsch - Ungarisch
English - Danish
English - Dutch
English - Esperanto
English - French
English - Icelandic
English - Italian
English - Norwegian
English - Portuguese
English - Romanian
English - Slovak
English - Spanish
English - Swedish
English - Turkish
Deutsch - alle Sprachen
We are trying to build up a Ukrainian-German dictionary!
Please contribute translations or audio recordings if you can!

Dictionary Dutch German: [de]

Translation 1 - 50 of 33612  >>

Dutch German
eruit {adv} [naar de spreker toe]
28
heraus
buiten {adv} [aan de buitenkant]
14
außen
eruit {adv} [van de spreker vandaan]
12
hinaus
inhoudelijk {adj} {adv} [de inhoud betreffend]
11
inhaltlich
gepast {adj} {adv} [geschikt; in de juiste hoeveelheid]
9
passend
gepast {adj} [in de juiste hoeveelheid]
2
abgezählt
Unverified genoegzaamheid {de}Genügsamkeit {f}
tijdig {adj} {adv} [binnen de gestelde tijd]fristgemäß
uitgeslapen {adj} {adv} {past-p} [letterlijk, maar ook in de zin van gehaaid]ausgeschlafen [auch ugs. für gewitzt]
Unverified Zaailing {de} {Noun}{m}Keimling
Verbs
iem. pesten {verb} [omg.] [op het werk, de school]
27
jdn. mobben [ugs.]
terechtkomen {verb} [op de juiste plaats komen]
25
ankommen
kruipen {verb} [vlak langs de grond]
24
kriechen
handhaven {verb} [de wet]
20
handhaben
iem./iets herdenken {verb} [de herinnering vieren]
18
jds./etw. gedenken [geh.]
iem. passeren {verb} [met de auto, etc.]
16
jdn. überholen [mit dem Auto etc.]
iem. plagen {verb} [voor de gek houden]
16
jdn. necken
verwarren {verb} [in de war maken]
16
verwirren
terechtkomen {verb} [op de juiste plaats komen]
12
landen [ugs.] [nach einer Reise an seinem Ziel ankommen]
iets waarderen {verb} [de waarde bepalen]
10
etw. bewerten
iem. informeren {verb} [op de hoogte brengen]
9
jdn. verständigen
iets opheffen {verb} [uit de weg ruimen]
9
etw. beheben
knipperen {verb} [met de ogen]
5
blinzeln
terugbrengen {verb} [naar de eigenaar brengen]
5
zurückbringen
huishouden {verb} [de huishouding doen]
4
haushalten [Haushalt führen]
iem./iets aanrijden {verb} [bijv. met de auto]
3
jdn./etw. anfahren [z. B. mit dem Auto]
iem./iets vertegenwoordigen {verb} [in de plaats treden van, handelen in naam van]
3
jdn./etw. vertreten [Interessen, Land etc.] [auch als Stellvertreter]
iets opvolgen {verb} [BN] [controle op de voortgang van een proces of van werkzaamheden]
3
etw. nachverfolgen
beproeven {verb} [op de proef stellen]
2
prüfen
iets aangeven {verb} [bij de authoriteiten melden]
2
etw. melden [angeben, anzeigen]
pikken {verb} [met de snavel steken, oppikken]
2
picken [mit dem Schnabel Nahrung aufnehmen, aufpicken ]
muziek roffelen {verb} [op de trom]
2
wirbeln [Trommel]
aanschuiven {verb} [in de rij gaan staan] [BN]Schlange stehen
beproeven {verb} [op de proef stellen]erproben
beproeven {verb} [op de proef stellen]kontrollieren [prüfen]
gronden {verb} [in de grondverf zetten]grundieren
huishouden {verb} [de huishouding doen]den Haushalt führen
iem. uitschakelen {verb} [aan de dijk zetten]jdn. kaltstellen [ugs.] [fig.]
iets binnenkrijgen {verb} [in de maag krijgen]etw. schlucken
iets binnenkrijgen {verb} [in de maag krijgen]etw. zu sich nehmen
iets overtrekken {verb} [de lijnen van iets natekenen op doorschijnend papier]etw.Akk. durchpausen
iets posten {verb} [op de post doen]etw. zur Post bringen
handel iets prijzen {verb} [de prijs vermelden]etw. auszeichnen [Preis]
manoeuvre {de} {het} {verb}Manöver {n}
meteo. opkomen {verb} [boven de horizon komen]aufgehen [Sonne, Mond etc]
posten {verb} [op de uitkijk staan]Posten stehen
uitwijken {verb} [uit de weg gaan]ausweichen
Nouns
mens {de}
192
Mensch {m}
kled. broek {de}
185
Hose {f}
vakantie {de}
176
Urlaub {m}
» See 950 more translations for de outside of comments
Previous page   | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 |   Next page
Feel free to link to this translation! Permanent link: https://denl.dict.cc/?s=%5Bde%5D
Hint: Double-click next to phrase to retranslate — To translate another word just start typing!
Search time: 1.068 sec

 

Contribute to the Dictionary: Add a Translation

Do you know German-Dutch translations not listed in this dictionary? Please tell us by entering them here!
Before you submit, please have a look at the guidelines. If you can provide multiple translations, please post one by one. Make sure to provide useful source information. Important: Please also help by verifying other suggestions!

To avoid spam or junk postings you will be asked to log in
or specify your e-mail address after you submit this form.
more...
German more...
Word Class more...
Subject
Comment
(Source, URL)
New Window

back to top | home© 2002 - 2024 Paul Hemetsberger | contact / privacy
Dutch-German online dictionary (Duits-Nederlands woordenboek) developed to help you share your knowledge with others. More information
Links to this dictionary or to single translations are very welcome! Questions and Answers
Advertisement